Van onder- tot bovenbouw

Elke basisschool kent 8 leerjaren. De kleuters van groep 1 en 2 noemen we de onderbouw. Groep 3, 4 en 5 vormen de middenbouw en groep 6, 7 en 8 de bovenbouw. In die 8 jaren verandert een kind enorm. De een wat eerder, de ander wat later, maar allemaal maken ze een onmiskenbare groei door. Om te begrijpen hoe uw kind zijn belangstelling voor de wereld om hem heen ontwikkelt volgt hier een karakterschets van de periodes.

ONDERBOUW
Iedere kleuter brengt een eigen wereld met zich mee. Met name de school brengt hen in aanraking met andere opvattingen en gewoonten. Kleuter zijn is een ontwikkelingsfase en geen aanduiding van een bepaalde leeftijd.
Daarom spreken we in de onderbouw ook van ontwikkelingslijnen, die vanaf groep 3 doorlopen in leerlijnen.
Dit is al een echte schoolperiode, waarin kinderen veel bewuster indrukken opdoen. Het is de ‘gevoelige periode’ voor het opdoen van zintuiglijke ervaringen, voor waarnemingen in de omgeving, voor het leren van woorden en voor omgang met situaties uit het dagelijks leven. Het kind wil dan vooral zelf handelen. Het herhaalt met plezier vele malen de aangeleerde handelingen vanuit een innerlijke behoefte deze te oefenen.
Kleuters zijn meestal nog te zeer op zichzelf gericht om zich in te kunnen leven in de ander. Ze gaan ervan uit, dat de ander net zo denkt en voelt als zij. Langzamerhand beginnen ze overeenkomsten en verschillen op te merken. Ze ontdekken het anders-zijn van de ander.
Deze fase kenmerkt zich door een flinke groei van de woordenschat en zinsbouw.
Het kind leert sorteren en ordenen, en wordt steeds beter in het herkennen van vormen, kleuren en geluiden. Later gaat het kind ook symbolen zoals letters en cijfers herkennen en leren gebruiken. Eenvoudige liedjes en opdrachten worden steeds beter begrepen en onthouden. Als iets hem interesseert kan een kleuter zich lang en goed concentreren op een activiteit.
Vierjarige kleuters die van huis uit Nederlands spreken, kennen gemiddeld 3000 woorden.
De meeste van die woorden kunnen ze ook zelf gebruiken. Verder maken de meeste kinderen grammaticaal goede zinnen, al doen zij dat nog niet helemaal foutloos. Ook kunnen ze bijna alle klanken goed uitspreken, al is de ‘R’ nog weleens lastig.
Tussen hun vierde en zesde jaar maakt de omvang van hun woordenschat een forse groei door en leren zij ingewikkelder zinnen te maken. In deze periode raken kinderen steeds meer geïnteresseerd in letters, boeken en zelf schrijven.
Het kan voorkomen dat zij heel serieus een reeks tekens achter elkaar ‘krabbelen’ en dan vragen: “Wat staat hier?”. Om kleuters te helpen bij hun taal- en denkontwikkeling kun je samen kijken naar gebeurtenissen, of samen een boekje lezen en erover praten.
Praten met volwassenen is heel belangrijk. Het geeft kinderen de kans om nieuwe woorden en begrippen, nieuwe zinsbouwconstructies te horen en ook zelf eens uit te proberen. Ook voorlezen en fantasiespel helpen het kind om zijn taalvaardigheid verder uit te breiden.

MIDDENBOUW
Kinderen van 6-9 jaar hebben interesse in de wereld die groter is dan het gezin en de school. Ze vertonen in deze periode een toenemende mate van emotionele stabiliteit en een redelijke dosis zelfvertrouwen. De overgang van groep 2 naar 3 is voor jonge kinderen een spannende en uitdagende fase. De nadruk komt meer te liggen op het werken dan op het spelen. Het valt niet mee om meer stil te zitten, naar de leerkracht te luisteren en in de werkboekjes te werken. Om de actieve houding en nieuwsgierigheid van deze jonge kinderen te behouden is vooral een aansprekend taal-, lees-, en rekenaanbod nodig in groep 3.
In de wereld van de kleuter lopen realiteit en fantasie nog in elkaar over. Gaandeweg kan het kind steeds beter onderscheid maken tussen wat ‘echt’ is en wat verzonnen  is. Kinderen krijgen dan ook een voorkeur voor dingen die ‘echt’ zijn of ‘echt kunnen zijn’. De pure fantasie heeft afgedaan. De voorkeur gaat nu uit naar verhalen met realistische elementen, zoals verhalen  die spelen in een ver verleden of in een verre toekomst, over prinsessen en prinsen, over ridders en koningen, over dinosaurussen. Ondanks die voorkeur denkt en handelt het kind vaak magisch omwille van de ervaring en gevoelens die daarmee gepaard gaan.
Nu gaan ze zich meer richten op leeftijdgenootjes. Ze doen hierbij steeds meer ervaring op met agressief gedrag, eer ophouden, conflicten, wedijver, opkomen voor eigen recht en rekening houden met anderen. Aanvankelijk worden spelregels en normen nog zeer star toegepast.
In toenemende mate wordt gedrag echter beoordeeld op de bedoeling die erachter ligt. In deze periode willen kinderen gezamenlijk activiteiten ondernemen. Ze zijn in de gevoelige periode voor het verzamelen van kennis.
Vanaf groep 3 wordt begonnen met het ontwikkelen van schoolse vaardigheden als lezen, schrijven, rekenen en later ook wereldoriëntatie. Kinderen beginnen logisch te denken en leren verbanden leggen. Nu worden ook de verschillen in leerstijlen zichtbaar. Je kunt nu onderscheiden of een kind een doener, een denker, een dromer, een uitvinder of een regelaar is.
Taal wordt in deze periode ook een middel om nieuwe kennis te verwerven. Kinderen zijn vaak mateloos geïnteresseerd in lezen en schrijven. Het geeft hen steeds meer toegang tot de wereld van volwassenen, en de kennis die daar te vinden is. Soms is die toegang tot de volwassen wereld weleens te veel, met name het zien van geweld of seks. Kinderen zien op televisie en internet veel dat zij interessant vinden maar nog niet kunnen begrijpen. Aan opvoeders is de taak om vragen van kinderen daarover te beantwoorden, maar ook vooral ook om grenzen te stellen aan wat zij mogen zien.

BOVENBOUW
De wereld van de bovenbouwer wordt steeds groter. Complexere structuren en relaties kan het nu begrijpen, zowel in taal als in de werkelijkheid. Het leert strategieën toe te passen waarmee het meer en beter kan onthouden.
Eind groep 8 moeten kinderen zo’n 15.000 woorden kennen. Als kinderen eenmaal voldoende kunnen lezen, schrijven en rekenen, kunnen ze die vaardigheden ook gebruiken om de wereld om hen heen verder te verkennen.
Dat gebeurt op school, maar kinderen hebben vooral ook vanuit zichzelf interesse in allerlei onderwerpen. Het gaat verbanden zien tussen feiten waarmee het in aanraking komt en bouwt zo een wereldbeeld op. Het kind denkt na over de plaats van de mens in die wereld en wil inzicht krijgen in de cultuur waarin het leeft. Oudere kinderen stellen veel vragen of het hoe en waarom van dingen en hebben een brede interesse. Ze kunnen belangstelling hebben voor een verscheidenheid aan onderwerpen: dieren, ontdekkingsreizen, het weer en klimaat, techniek, enzovoort.
Langzaam maar zeker leren kinderen op deze leeftijd om na te denken over zaken die verder weg liggen en situaties die zij niet zelf hebben ervaren. Zij gaan nadenken over onrecht in de wereld of zich zorgen maken. Ze kunnen gericht vragen stellen over onderwerpen die zij bijvoorbeeld in het Jeugdjournaal zien.
Rond het tiende jaar gaan kinderen nadenken over wat het betekent om een ‘goed mens’ te zijn en ontwikkelen een grotere maatschappelijke belangstelling. Ze krijgen meer aandacht voor waarden en normen, en leren gaandeweg begrijpen dat een situatie twee kanten heeft. Kinderen zijn geneigd een standpunt te kiezen waarvan zij weten of vermoeden dat ze erom gewaardeerd zullen worden, vooral door volwassenen en degenen die zij belangrijk vinden. Tegelijkertijd kunnen ze doordat hun hersenen veranderingen ondergaan, juist weer impulsiever worden. Voor kinderen vanaf tien jaar is de omgang met leeftijdgenoten van groot belang.
Kinderen van deze leeftijd zijn erg bezig met hun eigen identiteit: Wie ben ik? Wat kan ik? Het vergelijken met andere kinderen is belangrijk: dit biedt een steun voor zelfbewustzijn en zelfwaardering. De groep is een belangrijke ondersteuning voor de identiteitsvorming omdat het kind zichzelf kan vergelijken met anderen in de groep. Ze willen hetzelfde zijn of juist niet. In groepsverband leren kinderen hoe de sociale wereld in elkaar steekt. Vriendschappen worden nu steeds hechter, en zijn in sterkere mate gebaseerd op vertrouwen en loyaliteit. Het ‘erbij horen’ in een groep geeft een gevoel van veiligheid.
Tegelijkertijd kan het zo zijn dat de eigen voorkeuren en interesses die het kind juist op deze leeftijd sterker begint te ontdekken, botsen met de normen van de groep. Dat kan leiden tot lastige keuzes voor een kind: toegeven aan de groepsdruk, of kiezen voor eigenheid? Juist omdat ‘erbij horen’ zo belangrijk is, moeten opvoeders in deze fase alert zijn op pesten, machtspelletjes en onderdrukking in de groep. Kinderen die toegeven aan de groepsdruk doen vaak dingen die zij eigenlijk niet willen: meedoen met het pesten van een ander kind of liegen tegen volwassenen.
De heroriëntatie op de wereld om hen heen en veranderingen op het hormonale vlak zorgen vaak tijdelijk voor een zekere emotionele instabiliteit en verminderd zelfvertrouwen. Hierdoor is extra aandacht gewenst voor het zelfbeeld en het omgaan met gevoelens die voortkomen uit: lichamelijke veranderingen (beugel, borstontwikkeling, menstruatie), de relatie met leeftijdgenoten (voor paal staan, erbij willen horen, stoer gedrag, rolpatronen) en de toenemende druk van ouders en de confrontatie met eigen mogelijkheden en beperkingen. Denk aan de  eindtoets en het schooladvies.  Zie ook schooladvies en eindtoets